Beroepsleven oftewel Kostwinner

Na het huwelijk was het hard werken geblazen. Immers nagenoeg jaarlijks kwam er een kindje bij. Een mond meer om te voeden dus. Er was derhalve amper tijd voor vermaak en ander vertier.

Trouwens die was niet eens aanwezig. Het enoige vertier die zij hadden was drank en dus kinderen maken

Aanvankelijk werkte vader zoals de rest van de bevolking het ook deed, in de landbouw.

Dat behelste dus je eigen grond / rijsveld bewerken en beplanten en uiteraard oogsten

Daarnaast was hij vrachtvervoerder. Hij had twee ossen (gekastreerde stier, gemeen eigenlijk) en uiteraard een ossenwagen. Daarmee verdiende hij zijn dagelijks kost en ook voor zijn gezin natuurlijk

De ene os heette blacky omdat hij compleet zwart was en de andere heette Tigra (vlek) omdat hij een vlek op zijn kop had terwijl hij verder compleet goudkleurig was

De opbrengst van het rijstveld was voor een deel bedoeld voor eigen gebruik en het overschot werd verkocht. Dat was dan het jaarlijks inkomen. Omdat het leven toen simpel was, had men genoeg aan de opbrengst van slechts één oogst per jaar aangevuld met de verdienste als vrachtvervoerder.

Het was echt een hard leven. Een leven vol strijd en ontbering voor het bestaan. Er was nauwelijks werk terwijl er legio werkzoekenden waren. Allemaal jonge gezinnen met meerdere kinderen.

Sociale voorzieningen zoals wij die tegenwoordig in alle kleuren en maten hebben  bestond in die tijd in de verste verte niet. Er was absoluut geen enkel vorm van armoede bestrijding of één of andere vorm van tegemoetkoming in het levensonderhoud.

Wie nauwelijks of geen inkomen had leed letterlijk en figuurlijk honger en was overgeleverd aan de genade en barmhartigheid van familieleden en vrienden

Vader had dus zijn rijstveld die ons voorzag in ons levensbehoefte; rijst voor ons dagelijkse brood/eten en de opbrengst van het overschot zorgde voor geld, zoals eerder opgemerkt aangevuld met de opbrengsten als vrachtvervoerder

Werken in de landbouw betekende in die tijd een arbeidstijd van zonsopkomst tot zonsondergang. Zolang er zonlicht was, zo lang men iets kon zien werd er gewerkt.  Vader werkte dus zeg maar van 6 tot 6 op het rijstveld. Waar laat je de kinderen. Opvang bestond er niet. Er zat er niets anders op dan maar de kinderen meenemen naar het rijstveld.

Dat deed onze ouders dus ook. Ze namen ons mee. Zo kon men dus zijn tijd nuttig en efficient benutten.

De grond werd met de hand bewerkt met andere woorden zaken als tractor of ander soortige machinale landbouwwerktuig was er niet. Een stier trok de ploeg voort en de mens gaf daar leiding aan. Je moest de ploeg en andere hulpmiddelen besturen. De ploeg moest stevig als het ware naar beneden, naar de grond wordt gedrukt om op die manier zo diep mogelijke sporen te maken. De grond moest immers omgespit worden waardoor er een losse bovenlaag gecreëerd werd. Dit bovenlaag werd gebruikt om te zaaien en te beplanten.

Het geluk lachte vader toe. Gelukkig voor hem en uiteraard voor het gehele gezin vond vader een baan bij de overheid. Één van de buurt/dorpsgenoten vroeg op een dag aan vader: Zeg muntaz spreek je een paar woorden Nederlands. Een paar woordean Nederlands sprak hij wel maar ook niet meer dan dat en dus zei hij: wel ja dat doe ik.

De dorpsgenoot zei daarop: meldt je dan morgen daar en daar en vraag naar mijnheer X. De naam van de overheidsdienaar ben ik vergeten. 

Zo gezegd zo gedaan. Vader meldde zich de volgende dag op het resort kantoor van het ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij.

Hij had geluk want hij werd aangenomen en werd aangesteld als resortleider van het resort Westelijke polder welk toendertijd omvatte: Corantijnpolder, van Drimmelenpolder, Waldeck, Clarapolderj. Later kwam de nieuw ontgonnen Nanipolder erbij. Eigenlijk bestond toendertijd Clarapolder slechts uit serie A en serie B. Serie C bestond toen nog niet. Voorbij Clarasluis was Nickerie nog niet bepolderd zogezegd.

Zijn werkzaamheden bestond uit het geven van voorlichting onder andere omtrent nieuwe rijstgewassen, ziekten die de rijstteelt aantasten. Aanmoedigen c,q promoten van het planten van nieuwe rijstsoorten.

Ook moest hij het schoonmaken en schoonhouden van sloten en kanalen controleren en bevorderen 

Het ministerie van Landbouw deed in die tijd nog aan onderzoek. Men onderzocht nieuwe gewassen, hoe de ziekten die de rijstsector aantaste effectief te bestrijden. De resultaten moesten uiteraard in de praktijk worden getest. Hoe is de opbrengst van de nieuwe rijstsoort. Niet alleen de opbrengst was belangrijk maar ook bijvoorbeeld; hoe snel kun je die oogsten. Is het beter bestand tegen de bekende ziekten en parasieten etc. Ook de middelen/medicijnen moesten in de praktijk worden getest

Wel dat testen in de praktijk behoorde ook tot de takenpakket van vader. Het was dus omvattend.

Het pleit voor hem dat hij heel veel energie had gestopt om het werk te behouden en er iets goeds van te maken.

Zoals de meeste, zoniet al zijn leeftijdsgenoten had hij weinig onderwijs genoten. Daar was simpelweg geen tijd voor. Er moest brood op de plank komen. In die tijd was het leven erg hard, het was het spreekwoordelijke: “struggle for life”

Indien de mogelijk voor Onderwijs zou zijn geweest dan nog kon je het niet permitteren want er moest gewerkt worden om een redelijke bestaan van leven te kunnen garanderen.

De status van vader was wat dat betreft niet anders. Hij had weinig onderwijs genoten
Bovendien wat moest je met het genoten onderwijs; werk was er niet. Je kon of politieagent worden of onderwijzer, meer smaken waren er niet
Daarom vond mijn opa volstrekt zinloos omde kinderen naar school te sturen

Er was wel een probleem. Alles moest geraporteerd worden, bijvoorbeeld  de test resultaten. Hoe doe je dat als je nauwelijks Nederlands spreekt. Hij voorzag dat en begon met een soort opleiding voor algemene ontwikkeling. De vakken waarin je onderwezen werd of te wel werd bijgespijkerd waren hoofdzakelijk Nederlandse taal en Rekenen. Er werden ook wat praktische zaken behandeld. Voor die opleiding moest hij naar Paramaribo. Wel dat was in die tijd geen sinecure. Je moest zo wat een wereldreis maken om in Paramaribo aan te komen. Je moest met een fiets of een ander vervoermiddel tot Henar zien te komen. Dan ging je met de boot naar Wageningen. Vandaar ging je weer met een bromfiets of busje tot waar thans de airstrip/vliegveldje van Wageningen is. Vandaar ging je met een boot tot de grens met Coronie. Dan nam je een busje tot Coppenamepunt. Daar werd je overgezet naar de overkant. Vandaar ging je weer met een busje tot de huidige Saramaccabrug. Daar nam je weer de veerboot. En tenslotte ging je met een busje naar Paramaribo. Al met al was je 14 tot 16 uur onderweg, als je geluk had tenminste. Want indien het regende dan kon je de reis min of meer vergeten.

Een andere optie was Perica. De boot die je in 12 uren naar Paramaribo en vice versa bracht. Het vertrok 20:00 uur en kwam bij rustig weer 08:00 uur in Paramaribo aan. Alleen Perica had geen dagelijkse dienst. Ik meen 3 x per week, zeker daarover ben ik niet. Het is ook zolang geleden.

Wel dat alles moest vader trotseren om zich enigszins te kunnen handhaven op het werk en om zijn werk te kunnen behouden in de eerste plaats. Kennelijk had hij dat alles prima gedaan immers hij is tot zijn pensioen bij LVV gebleven.

Hieruit blijkt wederom zijn verantwoordelijkheidsgevoel

Summary

Zijn beroepsleven bestond uit

  • Landbouwer zijn of te wel rijstboer. Hij begon met één rijstveld, later kocht hij een tweede rijstveld namelijk te Clarapolder serie C
  • ambtenaar bij het ministerrie van Landbouw, Veeteelt en Visserij
  • opzichter Waterschapsbeheer